LEES OOK

dinsdag 21 maart 2017

AFGEVRAAGD. Jeugd pakt uit met flashback-fuif. Droomt ze zich dan geen toekomst meer?

In mijn gemeente staan her en der borden geplant. Met de aankondiging van een flashback-fuif van een lokale jeugdbeweging. Waarop blikken die tieners terug, vroeg ik mij af. Waar kunnen zij zich naar terugflitsen? Naar hun eerste fuif, vorig jaar misschien? Ver van nu kan het niet zijn. Terwijl voor hen dat onmetelijke, niet te peilen land strekt dat toekomst heet. Een landschap waarvan de einder tot diep achter de horizon schuilt.

ONGERUST

De aankondiging maakt mij ongerust. Allicht nodeloos, maar niettemin, ongerust. In wat voor samenleving leven wij als jongeren al heimwee hebben naar vroeger, naar wat achter hen ligt? Alsof het vroeger beter was. Dat was het niet, dat weten wij intussen. En we hebben meer om op terug te blikken dan die jongeren van nu. Het was anders, vroeger, maar niet beter.
Misschien was het ook wel goed en ik kan me voorstellen dat het voor jongeren al helemaal niet slecht was, dat recente verleden. Alleen... er rest hen nog zoveel ruimte, er wachten nog zoveel kansen, er ontwikkelen zich nog oneindig veel mogelijkheden straks, morgen en overmorgen, dat flashbacks helemaal niet hoeven om zich te verkneukelen.

HUN TOEKOMST IN ONS VERLEDEN

Ach, het zal wel een onschuldig gekozen thema zijn, die flashback-fuif, een ingeving van het moment. We zoeken er te veel achter, hoor ik hen zeggen. Maar precies dat maakt mij ongerust. Jongeren moeten zich spontaan een toekomst dromen, moeten ervan overtuigd zijn dat het vroeger helemaal niet beter was, integendeel. Ze moeten er alles aan willen doen om te breken met dat verleden, om het op te breken om voor zichzelf een nieuwe wereld te creëren. Op de ruïnes van die van ons. Niet dus. Nee, ze trekken bij ons in, en erger nog, ze behangen de ruimtes met dessins die ze bij hun grootouders op zolder halen. Ze zoeken hun toekomst in ons verleden, waaruit wij indertijd vluchtten. Arme jeugd, denk ik dan. Al hoop ik dat ik het fout zie.

zondag 19 maart 2017

GEZIEN. Ze komt op haar Frans, 'lentement' dus, die lente...

Het is op haar 'lentements' dat ze komt, de lente,
een detail in het decor van onze dagen
een tache de beauté op de grauwmuur van het bestaan


Ze spant al haar pracht met ingehouden kracht 
in bollen en knoppen die glanzen van de lust
om uiteen te spatten
in geuren en kleuren 

Een veel te vroege hommel haast zich 
laagbijdegronds voorbij een dode tak
Hij vergat: het is op haar 'lentements' 
dat ze komt, de lente


 





zaterdag 18 maart 2017

AFGEVRAAGD. 'Ge moet u vermannen', zeggen ze, maar hoe correct is dat nog?



“Ge moet u vermannen”, had iemand mij gezegd in de week die volgde op het overlijden van mijn vader. Het was lang geleden dat ik dat nog had gehoord: zich vermannen. Wat bedoelen ze daar mee, vroeg ik mij af.
Ik ging voor de spiegel staan.
“Een krijger ben ik niet,” stelde ik vast. Ik dacht aan de dansers van Fabre. Zijn krijgers van de schoonheid, zoals hij ze noemde. Ze waren niet dichtbij, die krijgers, en zeker niet in de buurt van de spiegel.
“En je hebt al evenmin het postuur van een atleet”, vulde een innerlijke stem spontaan aan. Ze klonk eerder geringschattend dan geruststellend. En niet eens diep en donker.

DWARSDENKER

Waarop ik haast vanzelf mijn rug rechtte, schouders naar achteren strekte, kin en borst vooruit gooide.
Maar ik zag de gestalte niet, in de spiegel voor me. Ik zag alleen het gezicht dat me sceptisch aankeek. Met twee rimpels, dwars over het voorhoofd. Het gezicht zweeg, net als ik. Dwarsdenker, dacht ik.

“Ge moet u vermannen.” Het bleef nagalmen.
Ik dacht aan al het kwalijke, het verfoeilijke en het wansmakelijke dat mannen wordt verweten. Op vandaag is dat meer, veel meer dan decennia geleden. We zijn des duivels, tegenwoordig en straks, als soort, volkomen overbodig en nutteloos. Wat is dat dan, dat vermannen? Wat wordt van vrouwen verlangd in zulke situaties? Dat ze zich ook vermannen? Nee, maar was is het vrouwelijke equivalent dan wel? Kortom, is het, met al wat we weten over ‘mannen’, correct om zich te vermannen? 

BIJ DE DIKKEN


Ik ging nog eens langs bij De Dikken. Wat zegt hij over ‘zich vermannen’?  “Moed vatten, de kracht tot iets vinden, zichzelf meester worden”, luidt het bij van Dale. Al vrees ik dat ‘zich vermannen’ finaal een eufemisme is voor stoerdoenerij.

zondag 12 maart 2017

VERBEELD. Het licht is een duistere zaak, zelfs bij volle maan

- Volle maan, vermoed ik?
- Je zou gelijk kunnen hebben. Vandaag of morgen.
- Zijn we daar zo zeker van, dan?
- Raadpleeg de kalender, die weet je precies te vertellen wanneer het volle maan is.
- Maar veronderstel dat wat we zien als volle maan geen schijf is...
- Dat is het ook niet. De maan is - net als de aarde - bolvormig. Dat is vrij elementaire kennis, toch?
- Dat bedoel ik niet. Stel dat wat je ziet geen maan is...
- Maar het is ze.
- Stel dat ze dat niet is, maar dat het een gat is in het uitspansel...
- Een gat?
- Zo'n kijkgaatje. Als een uitgeknipte cirkel.
- Onzin. En dan?
- Niets en dan. Gewoon, beeld je dat nu eens in...
- Tja. Vanwaar komt dat licht dan?
- Dat is de vraag.
- En het antwoord?
- Is verblindend.
- Het licht, zei onze fysicaleraar ooit, is en blijft een duistere zaak.

vrijdag 10 maart 2017

AFSCHEID. Vandaag namen we afscheid van vader...




 

“We mogen niet klagen”, zei vader wel eens, “we hebben een mooi leven gehad.”

Dat zei hij, vorige week nog. In Rustenhove. Waar hij, eindelijk, na zes weken ziekenhuis, voor het eerst samen met moeder was.

Niet meer thuis, maar thuis in Rustenhove. Hij was er gelukkig. Dat zei hij. Meer dan eens. Ook al wist hij dat voor wie in de herfst van zijn leven is, de nieuwe lente niet voor de winter komt.



Een mooi leven, dat wel, maar geen gemakkelijk. 



Want, vader, we herinneren ons...
... hoe je ooit die baby was die zijn jonge, knappe moeder verloor nog voor je haar kon zien,



... hoe je ooit dat kleine jongetje was dat met een bang hart en met angst in de ogen onder zijn bed ging schuilen en ineenkromp voor het gedreun van de tientallen overvliegende Britse bommenwerpers,



... hoe je als jonge knaap op zondagmiddag voor je vader urenlang op de uitkijk stond voor het neerstrijken van de duiven


... hoe je als trotse jonge klerk, winterdag-zomerdag, om vijf uur ’s morgens naar het station van Kortrijk fietste. In pak en met das. Altijd met das.



... en hoe je daarna als jonge vader van zomervakanties blokvakanties maakte en van de ouderlijke slaapkamer een studieruimte waarvan je de muren volhing met schema’s, koninklijke besluiten en wetteksten. Uit het wetboek der inkomstenbelastingen.





En we herinneren ons ook...

... hoe je er van hield om moeder te verrassen door ’s zaterdags voor dag en dauw in de groots mogelijke stilte het hele huis te kuisen. Met veel te veel schuim weliswaar en het moet gezegd, je maakte er geen wekelijkse gewoonte van. Het moest een verrassing blijven, zei je dan.



... en hoe je, tot wanhoop van moeder, jaarlijks garage en washok van plafond tot vloer onder de pluimen stak als je de meute kalkoenen ging slachten.

Of hoe we sukkelden bij het kortwieken van de kuikens van je siereendjes…



Het avontuur stak in kleine dingen en vooral thuis. Want je had een hekel aan reizen. Je was te graag thuis. Altijd in de buurt van moeder. Twee bureaus had je thuis, maar de stoel bleef er naderhand leeg:  je dossiers, de stapel aangiften van mensen die om hulp vroegen, je kranten en tijdschriften lagen op de tafel in de huiskamer. Je wou bij ons zijn.




En later, in de zomer van het leven, toen de kleinkinderen er waren, trokken zij met je mee naar de moestuin, in de serre, in je boomgaard, op d’hoogte. Ze waren gek van je en ze hielden van je. Je volgde ze op de voet… en zodra het kon via het internet. Die pc van je is net niet verhuisd naar Rustenhove…



En nu hoeft het niet meer.  Ineens, als de lente zich meldt, werd het in het holst van de nacht winterstil voor je.




Vader,


we hebben je nooit anders horen spreken dan met zachte stem

in een taal zonder uitroeptekens en met woorden zonder hoofdletters


niet dat je je op de vlakte hield, of afzijdig bleef voor wat wij zeiden of deden,


verre van en integendeel

je was voor ons en voor velen zo vaak de geduldige gulle gids

in dat ondoorzichtelijke doolhof van administraties en regelgevingen

waar wij doof en blind domweg tegen kasten en muren liepen;


Vader,


we hebben je nooit anders horen spreken dan met zachte stem

in een taal zonder gevloek en met woorden zonder leugens

voorzichtig waar nodig, scherp waar kon en altijd naar waarheid, 


mateloos  bezorgd om en wakend over gezondheid en geluk van moeder,

van ons en van de kleinkinderen;





Vader,

we hebben je – tegen moeder -  nooit anders horen spreken dan met zachte stem

in de taal van de liefde en met woorden vol vertrouwen.


We lazen, niet zonder afgunst, in het teder gebaar, in de twinkel van je blik,

in die schalkse glimlach of in die gekunstelde zoen
jullie unieke verhaal van een romance zonder eind;




Vader,

je zacht spreken wordt nu een stil gefluister,

waarnaar  wij, in lengte van dagen,

binnenskamers zullen blijven luisteren

+ Robert Gheysen 
19 november 1929 - 6 maart 2017